Achtergrond

De Saharaoui oftewel de neven van de Touaregs uit Niger:
DE BLAUWE MANNEN VAN DE WOESTIJN

De Saharaoui zijn de afstammelingen van de Arabische veroveraars, die in de 11e eeuw de West-Sahara in bezit namen. Het zijn een van de laatste nomadenvolken in de wereld. Er zijn er ruim 30.000. Niemand weet het precies,want burgerlijk bestuur bestaat nauwelijks.

Om St.Exupery te citeren:" Hij vecht niet voor zijn vrijheid, want in de woestijn ben je altijd vrij. Hij vecht niet voor stoffelijk bezit, want de woestijn is leeg, maar hij vecht voor een geheim rijk!"

Dit rijk ligt in Zuid-Marokko voorbij het Anti Atlasgebergte, in de voormalige Rio de Oro, Mauritanie en het noorden van Mali.

 

(Op het filmpje is te zien hoe de Nomaden hun brood bakken)

De BLAUWE MANNEN zijn nog steeds grote nomaden. Wilden zij hun kamelen verkopen en hun voorraad met gerst, dadels, suiker en thee aanvullen, dan maakten zij daarvoor soms een reis vanuit Mauritanië tot Marrakech, want grenzen hebben nog steeds niet veel voor hun te betekenen. In vier a vijf weken legden ze afstanden af van zo'n 750 á 1000 km. Tegenwoordig zijn hun mogelijkheden wat beperkter o.a. door grensproblemen, maar ze zijn nog steeds onderweg! De grote uithoudingsproeven, die ze nog steeds op hun lange marsen doorstaan, doen denken aan hun heel wat romantischere en wredere rooftochten uit vroegere dagen, toen ze nog karavanen en dorpen overvielen.

Schipbreukelingen, door deze woestijnpiraten gevangen genomen voor de slavenhandel, maar later tegen losgeld vrijgelaten, zijn de eersten geweest, die de wereld hebben ingelicht over het bestaan van deze nomaden.

Ze dragen blauwe mantels "Draahaa" genoemd en blauwe hoofdtooien, die afgeven, daarom worden ze "BLAUWE MANNEN" genoemd.

Het gebied, waarin de blauwe mannen rondtrekken is onmetelijk groot. De hele West-Sahara van Zuid-Marokko tot Senegal, het vroegere Rio de Oro, Mauritanië en een gedeelte van Mali is hun terrein.

Ze leven in tenten, gemaakt van geweven stroken kamelen- en geitenhaar, die door de vrouwen vervaardigd worden op primitieve weefgetouwen,die ze op de grond in elkaar zetten.

De tent is in tweeën gedeeld: de kant van de vrouwen met het eenvoudige kookgerei en de kant van de mannen met alles wat nodig is om de gasten te ontvangen. Dat wil zeggen de theepot en de benodigdheden voor het theezetten: glazen, een suikerbrood en een kleine versierde hamer om er stukjes suiker af te slaan.

De hoeveelheden thee die ze drinken, is verbijsterend; "Een glas is niets, twee is armoedig, drie is regel, vier is een kleinigheid, vijf is verboden: het cijfer “chamsa” brengt ongeluk aan, zes is beter dan drie!"

De vrouwen melken de kamelen en de geiten. Een spreekwoord van de blauwe mannen is: "Wie thuis geen melk heeft, heeft niets. Wie geen melk heeft, heeft geen vrienden".
Ze maken boter door de melk enige uren te schudden in een geitenleren zak.

Soms regent het meer dan een jaar niet. De “guerba” waterzak gemaakt van een binnenstebuiten gekeerd geitenvel, is een typisch staaltje van nomadenuitrusting.

De Afrikaanse kameel is eigenlijk een dromedaris en leeft zo'n 25 jaar. Hij kan het wel 4 dagen zonder water stellen en als de karavaan rust, drinkt hij zo'n 100 liter per dag.

Tegenwoordig is de oase een bevoorradingscentrum voor de nomaden geworden, waar ze zich voorzien van dadels, graan, thee, suiker, olie en textiel en waar de mensen uit de omliggende dorpen soms kamelen komen kopen.

Deze oude strijders dansen gewerendansen en soms dansen de vrouwen de “guedra” een zeer oude nomadendans. De "guedra" is de grote kookpan van het gezin. Met een geitenvel overspannen, kan de pan als trommel dienen.

Een Europeaan zei eens tegen een blauwe man: "Ik heb vandaag in drie uur de afstand gevlogen, waarover jij met je karavaan een maand doet!"
"En wat doe je nu met de rest van de tijd?" vroeg de blauwe man.

Marrakech is vroeger de feodale hoofdstad geweest van de blauwe mannen. De stad is door in het blauw gehulde krijgers, die uit de Sahara kwamen, in de 11e eeuw gesticht.

"Balek ! Balek" Pas op, kijk uit! De duizendmaal herhaalde kreet van de dragers en ezeldrijvers, die zich een weg proberen te banen door de dichte menigte op de "souks", de schilderachtige markten van de stad. Elke markt heeft zijn bijzondere waren.
Hier de kruidenmarkt, daar de graan of wolmarkt, dan de “souk” van de ververs, waar de gekleurde strengen wol in de zon hangen te drogen.
Op het plein in het hart van de stad is een tijdelijke markt, waar het krioelt van de handelaars in specerijen, amuletten, pantoffels, parfumerieën.